Naar de inhoud
Producten en materialen

Lagetemperatuurverwarming en vloerverwarming: de 45 °C-eis in de praktijk

· bijgewerkt op 27 augustus 2026

De eis op lagetemperatuurverwarming is een van de weinige EPB-eisen die rechtstreeks over comfort gaat, en tegelijk een van de weinige die u niet met een beter product kunt oplossen. Een betere ketel of een betere warmtepomp helpt hier niet: de eis slaat op de temperatuur van het water dat naar uw afgiftesysteem gaat, en die wordt bepaald door hoeveel afgifteoppervlak u in elke ruimte hangt of legt.

Dit artikel gaat over woningbouw. Voor niet-residentiële nieuwbouw geldt dezelfde eis; voor industrie geldt ze niet, ook niet bij nieuwbouw, want daar bestaat geen E-peileis. De algemene afbakening van beide installatie-eisen, ook die van het installatierendement van 130%, staat in installatie-eisen verwarming. Hier gaat het over de afgiftekant: wat de eis met uw verwarmingsontwerp doet en hoe u ze bewijst.

De eis, met haar volledige toepassingsgebied

De ontwerpvertrektemperatuur van het water in het verwarmingssysteem mag maximaal 45 °C bedragen.

Die eis draagt drie voorwaarden die u er altijd bij moet lezen:

  • ze geldt enkel bij nieuwbouw met E-peileis (of gelijkwaardige werken). EPB-Pedia zegt uitdrukkelijk: deze installatie-eis geldt niet voor ingrijpende energetische renovaties. Bij een gewone renovatie geldt ze evenmin;
  • ze geldt enkel bij de keuze voor een centrale verwarming met water als transportmedium. Kiest u luchtverwarming, een lucht-luchtwarmtepomp, een warmtenet of plaatselijke toestellen, dan is de eis niet van toepassing;
  • ze bestaat voor omgevingsvergunningsaanvragen vanaf 2023. Zoals bij bijna elke EPB-regel hangt dat aan de datum van uw aanvraag of melding, niet aan de start van de werken.

Er staat geen aparte boete op. Wordt de eis niet gehaald, dan verstrengt de E-peileis met 15%. Haalt u dat strengere E-peil dan alsnog niet, dan volgt een administratieve boete voor het niet behalen van de E-peileis. Wordt bovendien ook het minimumaandeel hernieuwbare energie niet gehaald, dan verstrengt de E-peileis in totaal met 30%. Die tweede eis staat in het minimumaandeel hernieuwbare energie.

Nog een detail dat bij een krap S-peil telt: gebruikt u de S-peilcompensatie, waarbij een wooneenheid die S28 niet haalt maar wel S29, S30 of S31 alsnog voldoet mits E20, dan moet u nog altijd aan de eis op lagetemperatuurverwarming voldoen, en dat zonder gebruik te maken van de E-peilcompensatie van 15%. De compensaties stapelen dus niet.

Waarom vloerverwarming hier goed bij past

De redenering is eenvoudige natuurkunde. De warmte die een afgifte-element in een ruimte kan brengen, hangt af van het temperatuurverschil met de ruimte én van het afgifteoppervlak. Verlaagt u de watertemperatuur, dan moet het oppervlak groter worden.

Een radiator heeft weinig oppervlak en werkt daarom van oudsher met hoge watertemperaturen. Vloerverwarming heeft de volledige vloer als afgifteoppervlak en kan diezelfde warmte kwijt bij een veel lagere watertemperatuur. Dat is precies wat de eis vraagt.

Vloerverwarming is niet de enige weg. De regelgeving schrijft geen afgiftesysteem voor; ze schrijft een temperatuur voor. EPB-Pedia formuleert het neutraal: bij de dimensionering van het afgiftesysteem (vloerverwarming, volume van de radiatoren, …) moet met die 45 °C rekening gehouden worden. Met voldoende ruim gedimensioneerde radiatoren, wand- of plafondverwarming haalt u hetzelfde. Het is een kwestie van oppervlak en dus van kost en van plaats.

Er is nog een tweede reden waarom lagere temperaturen lonen, ook los van de eis zelf. De vertrektemperatuur naar het afgiftesysteem heeft een belangrijke invloed op het rendement van een warmtepomp. De EPB-software berekent op basis van de gerapporteerde ontwerpvertrektemperatuur een correctiefactor fθ. Geeft u aan dat de temperatuur niet gekend is, dan gebruikt de software de waarde bij ontstentenis die bij het ingevoerde afgiftesysteem hoort. Die is doorgaans ongunstig, en het gevolg is een slechter E-peil dan uw installatie verdient. Hoe dat mechanisme in het algemeen werkt, staat in de waarde bij ontstentenis.

Nog een praktisch punt in het voordeel van vloerverwarming: samenstellende lagen van een vloer die onderbroken worden door leidingen (vloerverwarming, elektriciteit, sanitair warm water, ventilatie) worden als homogene lagen beschouwd. De buizen maken dus geen deel uit van de vloersamenstelling en verzwakken uw U-waarde niet in de berekening. Meer over de vloeropbouw in vloerisolatie.

Wat u moet bewijzen: de dimensioneringsnota

Een lagere ontwerpvertrek- en retourtemperatuur mag u niet zomaar invoeren. U moet met een stavingsstuk aantonen dat het geplaatste afgiftesysteem ontworpen is om een vooropgesteld comfortniveau te halen bij die temperaturen. Dat gebeurt met een dimensioneringsnota van het afgiftesysteem.

Let op: dit is een ander document dan de dimensionering van de opwekker, die bij de installatie-eisen voor renovaties en voor nieuwbouw industrie gevraagd wordt. Beide worden geregeld verward, en met de verkeerde nota in uw dossier staat u nergens.

De nota bevat twee elementen:

  • de berekende warmtebelasting, ook warmteverlies genoemd, voor elke ruimte;
  • de eigenschappen van de geplaatste afgiftesystemen: aantal, type, afgifte bij standaardregime.

Samen moeten die aantonen dat de afgifte-elementen bij het gekozen temperatuurregime het berekende warmteverlies kunnen compenseren. Concreet:

  • voor de hele eenheid moet het totale vermogen van de afgifte-elementen, centrale én plaatselijke, groter zijn dan of gelijk aan de som van de berekende warmteverliezen van alle ruimten volgens NBN EN 12831;
  • voor elke ruimte in de nota geldt dezelfde toets, tenzij de ruimte onder een uitzondering valt.

De uitzonderingen zijn: ruimten niet bestemd voor menselijke bezetting (toilet, hal, traphal, bergruimte, garage, zolder, kelder), ruimten met een warmteverlies kleiner dan 20 W/m², ruimten met een warmteverlies kleiner dan 200 W, en ruimten waar centrale en plaatselijke verwarming gecombineerd zijn op voorwaarde dat de plaatselijke verwarming voor het E-peil is ingerekend.

De warmteverliesberekening zelf moet volgens een van twee methodes gebeuren: de uitgebreide methode uit NBN EN 12831-1:2017, of de vereenvoudigde methode, telkens met invoergegevens volgens de nationale bijlage NBN EN 12831-1 ANB:2020. De installateur die het afgiftesysteem ontwierp kan dat opmaken; ook een verslaggever mag die berekening uitvoeren, zolang ze volgens de juiste norm gebeurt. Waar die berekening nog meer voor dient, staat in de warmteverliesberekening bij de startverklaring.

De minimale gegevens liggen vast in bijlage 13 bij het MB van 28 december 2018. Het VEKA stelt daarvoor een sjabloon ter beschikking. Het gebruik van dat sjabloon is niet verplicht: elk document dat aan de voorwaarden voldoet, geldt als aanvaarde dimensioneringsnota. Wie het sjabloon correct invult, is wel zeker.

De valkuil: kamers zonder verwarming

Hier lopen in de praktijk de meeste dossiers vast, en het is het gevolg van een bouwtrend.

Alle ruimten van de EPB-eenheid moeten in de dimensioneringsnota, ook de onverwarmde. De nota moet immers aantonen dat élke ruimte bij het vooropgestelde regime een aanvaardbaar comfort haalt. Voor een toilet, hal of berging is dat geen probleem: die zijn niet bestemd voor menselijke bezetting en hebben doorgaans weinig effect op het resultaat.

Steeds vaker kiest men er echter voor om in slaapkamers geen verwarming te voorzien. Een slaapkamer is wél een ruimte voor menselijke bezetting, en dan moet de nota aantonen dat ze voldoende indirect verwarmd wordt door de omliggende ruimten. Dat kan betekenen dat de ontwerp-binnentemperatuur in die omliggende ruimten verhoogd moet worden, wat op zijn beurt de benodigde vertrek- en retourtemperatuur opdrijft. Zo kan een besparing op radiatoren u ongewild boven de 45 °C duwen.

Voor de ondergrens van de ruimtetemperatuur legt de regelgeving vaste waarden op:

RuimteMinimale ontwerp-binnentemperatuur
Badkamer20 °C
Woonkamer of analoge ruimte18 °C
Keuken18 °C
Slaapkamer16 °C
Wasplaats12 °C
Gang12 °C
WC12 °C
Ruimten niet voor menselijke bezetting5 °C

Die temperaturen verlagen om de nota te doen kloppen, mag enkel binnen die grenzen, moet overeenstemmen met de wensen van de eigenaar, en moet algemeen verdedigbaar blijven, want de eenheid moet ook aan de comfortwensen van toekomstige eigenaars kunnen voldoen.

Nog één punt dat verrast: het vermogen van een plaatselijke kachel of haard brengt geen soelaas in de dimensioneringsnota. Wat een houtkachel wel en niet doet in uw dossier, staat in een houtkachel of pelletkachel als hoofdverwarming.

Meerdere systemen in één woning

Verwarmt u het gelijkvloers met vloerverwarming en de verdieping met een lucht-luchtwarmtepomp, dan deelt u de woning op in twee energiesectoren. U kunt dan enkel voor de sector met de vloerverwarming een ontwerptemperatuur bepalen. De warmteverliezen worden wel altijd voor de hele eenheid berekend; in de nota neemt u de ruimten op van de energiesectoren waarvoor u een ontwerptemperatuur wilt aantonen.

Ook vakgenoot mijnepb.be behandelt dit onderwerp, in een artikel over lagetemperatuurverwarming en vloerverwarming.

Wij toetsen uw verwarmingsontwerp aan de 45 °C-eis vóór de installatie besteld wordt, en stellen de dimensioneringsnota samen met uw installateur op. Dat hoort bij onze EPB-verslaggeving. Loop de offerte-configurator door of neem contact op met uw verwarmingsplan.

Hier zelf mee te maken?

Bekijk wat wij doen, of vraag meteen een richtprijs voor uw eigen project.

Een vraag over uw eigen werf?

Wij denken liever vooraf mee dan achteraf te herstellen. Bellen kost u niets.