Naar de inhoud
Producten en materialen

De g-waarde van beglazing en de rol van zonwering

· bijgewerkt op 27 augustus 2026

De oververhittingsindicator is een uitkomst. De g-waarde van uw beglazing is een van de knoppen waaraan u draait om die uitkomst te veranderen, en het is de knop die het vroegst vastligt: bij de glasbestelling. Dit artikel gaat over die knop. Wat de drempels zijn waar u onder moet blijven, staat in oververhitting: 6500 en 1000 Kh.

Dit gaat over woningbouw. Belangrijk verschil in toepassingsgebied: de rekenmethode voor zonwering en zonnetoetredingsfactor geldt voor alle bouwaanvragen en voor zowel residentiële als niet-residentiële gebouwen. De eis op de oververhittingsindicator geldt veel smaller, namelijk enkel bij nieuwbouw of gelijkwaardige werken van woongebouwen. Bij een renovatie zonder die eis blijft de g-waarde dus wel meewegen in uw E-peil, alleen zonder grenswaarde erop.

Wat de g-waarde is

De zonnetoetredingsfactor, in de praktijk de g-waarde genoemd, is de verhouding tussen de bezonningsstroom die door een beglazing naar binnen komt en de bezonningsstroom die erop invalt. Hoe hoger die factor, hoe gemakkelijker de zonnestralen het gebouw binnendringen.

Het is dus een getal tussen 0 en 1. Gewone dubbele beglazing zit doorgaans rond 0,60, zonwerend glas duidelijk lager. De waarde die in EPB telt, is die bij normale inval, bepaald volgens de norm NBN EN 410. Ze staat op de technische fiche van het glas, en u legt die fiche bij als stavingsstuk. Waarom dat papier het cijfer draagt, leest u bij stavingsstukken en uw E-peil.

Hoe de berekening glas en zonwering samenvoegt

De software rekent niet met de g-waarde van het glas alleen, maar met de maandelijkse zonnetoetredingsfactor van het hele venster:

gm,j = 0,9 × (ac,m × Fc + (1 − ac,m)) × gg,⊥

Drie dingen bepalen daarin het resultaat:

  • gg,⊥, de g-waarde van het transparante deel: het glas zelf;
  • Fc, de reductiefactor van de zonwering: hoeveel zon ze doorlaat;
  • ac,m, de maandelijkse gebruiksfactor: hoe vaak de zonwering geacht wordt dicht te staan.

De 0,9 vooraan is een vaste invalshoekcorrectie. Er komt verderop nog een vaste factor 0,95 bij, de reductiefactor voor vervuiling.

Die derde term, ac,m, is waar de meeste verrassingen zitten, en ze verklaart waarom zonwering en glas niet inwisselbaar zijn.

Waarom mobiele zonwering uw winter niet kost

Bij een vaste zonwering staat ac,m altijd op 1: de zonwering telt het hele jaar mee, ook in januari. Bij een mobiele zonwering hangt ac,m af van het soort berekening, en daar ligt een cijfer dat elke bouwheer zou moeten kennen:

BedieningRuimteverwarmingRuimtekoelingOververhitting
vast111
mobiel, handbediend0,00,2volgens tabel C1
mobiel, automatisch0,0maximum van 0,0 en (tabel C2 min 0,1)volgens tabel C2

Voor de verwarmingsberekening staat de gebruiksfactor van een mobiele zonwering op 0,0, of ze nu handbediend of automatisch is. Vul die nul in de formule in en de hele zonweringsterm valt weg: er blijft 0,9 maal de g-waarde van het glas over. Een mobiele zonwering kost u in de winter dus rekenkundig niets, terwijl ze in de zomer wel volop meetelt.

Dat is precies waarom zonwering op het E-peil twee kanten op kan werken, en waarom vooral vaste zonwering de verkeerde kant op weegt. Lagere zonnewinsten betekenen minder kans dat er actieve koeling moet komen, dus een lagere netto energiebehoefte voor koeling en een lager E-peil. Maar ze betekenen ook een hogere netto energiebehoefte voor verwarming, dus een hoger E-peil. Welk effect het zwaarste doorweegt, hangt af van de rest van het gebouw. Bij vaste zonwering, met ac,m op 1, weegt de winterkant altijd mee. Bij mobiele zonwering niet.

Diezelfde logica keert terug bij glas. Zonwerend glas met een lage g-waarde verlaagt de oververhittingsindicator, maar het houdt die gratis warmte er in januari net zo goed buiten. Glas kent geen seizoenen. Een mobiele buitenzonwering wel. Dat is het sterkste argument om oververhitting eerst met zonwering aan te pakken en pas daarna met de glaskeuze.

Automatische bediening telt trouwens alleen mee wanneer er een automatisch gestuurde activator is, zoals een motor, en minstens één zonnesensor per geveloriëntatie of een afwezigheidssensor die de zonwering bij afwezigheid sluit. Ontbreekt dat, dan geeft u het systeem in als handbediend.

De reductiefactor Fc, en waar hij op nul loopt

Hoe Fc bepaald wordt, hangt af van waar de zonwering staat.

In het vlak van het venster. Luiken, rolluiken, blinden en jaloezieën. Fc is dan de verhouding tussen de gecombineerde zonnetoetredingsfactor van glas plus zonwering samen, en de g-waarde van het glas alleen. Kent u die gecombineerde waarde niet en kunt u ze niet berekenen, dan rekent u met de waarde bij ontstentenis voor Fc, die afhangt van de plaats: binnen-, buiten- of tussenzonwering.

Niet in het vlak van het venster. Markiezen, uitvalschermen en knikarmschermen. Fc is dan de verhouding tussen de zonne-instraling op het beschaduwde en op het onbeschaduwde venster, wat de bepaling van de verticale overstekhoek vergt; de zonwering wordt daarbij als ondoorzichtig behandeld. Hier ligt een harde grens: enkel zonweringen met een zonnetransmissiefactor onder 30% worden in rekening gebracht. Ligt die factor hoger, dan is Fc altijd gelijk aan 1 en heeft uw markies rekenkundig geen enkel effect.

Dezelfde grens van 30% duikt elders op. Bij vaste lamellen, claustra’s, Braziliaans metselwerk en beweegbare panelen met lamellen mag u met de waarde bij ontstentenis voor Fc rekenen op voorwaarde dat het aandeel open delen hoogstens 30% van het vensteroppervlak bedraagt, gemeten in de verticale projectie op de dagopening. Zit u daarboven, dan kunt u die constructie alleen inrekenen als u over de gecombineerde zonnetoetredingsfactor beschikt.

Nog een detail dat in dossiers misloopt: heeft één venster meerdere beweegbare zonweringen, bijvoorbeeld binnen- en buitenzonwering, dan neemt u voor de verwarmingsberekening het systeem met de hoogste Fc, en voor koeling en oververhitting dat met de laagste. U kiest dus niet zelf welk systeem u ingeeft.

Twee bijzondere gevallen

Zonnewerende folie geeft u in als vaste zonwering in het vlak van het venster. U vraagt daarvoor de gecombineerde zonnetoetredingsfactor van de beglazing mét folie op bij de fabrikant. Is die niet beschikbaar, dan valt u terug op de waarde bij ontstentenis voor Fc.

Beglazing met een variabele g-waarde voert u op twee plaatsen in. Bij het venster geeft u de g-waarde van het glas in normale, heldere toestand: de hoogste waarde op de technische fiche. Bij de zonwering maakt u een mobiele zonwering in het vlak aan en voert u via directe invoer de g-waarde in van het glas in zijn donkerste toestand: de laagste waarde op de fiche. Voor beide hebt u de juiste stavingsstukken nodig.

Ook vakgenoot ecotest.be behandelt dit onderwerp, in De g-waarde van een raam.

Beslis dit vóór de glasbestelling

De g-waarde en de zonwering horen samen doorgerekend te worden, en het best in de ontwerpfase. Wij rekenen op uw eigen plannen verschillende varianten door: gewoon glas met buitenzonwering tegenover zonwerend glas zonder, en handbediend tegenover automatisch. Zo ziet u zwart op wit welke combinatie uw oververhittingsindicator onder de drempel brengt zonder uw E-peil onnodig te belasten.

Wat wij binnen een EPB-dossier voor u opnemen, staat op EPB-verslaggeving. Voor een prijs op maat loopt u de offerte-configurator door.

Hier zelf mee te maken?

Bekijk wat wij doen, of vraag meteen een richtprijs voor uw eigen project.

Een vraag over uw eigen werf?

Wij denken liever vooraf mee dan achteraf te herstellen. Bellen kost u niets.