Installatie-eisen verwarming: wanneer 45 °C en 130% wél gelden
· bijgewerkt op 27 augustus 2026
Twee eisen bepalen vandaag de opbouw van een verwarmingssysteem: een ontwerpvertrektemperatuur van maximaal 45 °C en een installatierendement van minstens 130%. Beide gelden uitsluitend bij de keuze voor een centrale verwarming met water. Kiest u een ander type systeem, dan is de eis niet van toepassing. En ze gelden niet in dezelfde gevallen: de 45 °C enkel bij nieuwbouw, de 130% bij nieuwbouw én bij een ingrijpende energetische renovatie.
Dit artikel behandelt woningbouw. Voor niet-residentiële nieuwbouw gelden dezelfde twee eisen; voor industrie geldt geen van beide, ook niet bij nieuwbouw. Daar loopt alles via het regime van de installatie-eisen bij renovatie.
Wat geldt vanaf welke aanvraagdatum
Beide eisen hangen aan de datum van de vergunningsaanvraag of melding, niet aan de dag waarop de ketel of de warmtepomp geplaatst wordt.
| Eis | Geldt bij | Sinds |
|---|---|---|
| Installatie-eisen per toestel (bijlage XII) | renovatie, alle bestemmingen | 1 januari 2015 |
| Installatie-eisen per toestel (bijlage XII) | nieuwbouw industrie | 1 maart 2017 |
| Ontwerpvertrektemperatuur maximaal 45 °C | enkel nieuwbouw met E-peileis, wonen en niet-residentieel, bij centrale verwarming met water | 1 januari 2023 |
| Minimaal installatierendement 130% | nieuwbouw en IER, wonen en niet-residentieel, bij centrale verwarming met water | 1 januari 2025 |
De 45 °C-eis geldt niet bij een ingrijpende energetische renovatie
Dit is het punt dat in samenvattingen het vaakst wegvalt. De ontwerpvertrektemperatuur van het water mag maximaal 45 °C bedragen bij nieuwbouw met een E-peileis. De regelgeving stelt uitdrukkelijk dat deze installatie-eis niet geldt voor ingrijpende energetische renovaties. Bij een gewone renovatie geldt ze evenmin, en bij nieuwbouw industrie ook niet, want daar is er geen E-peileis.
De eis raakt bovendien niet in de eerste plaats de warmteopwekker, maar het afgiftesysteem. Wie met 45 °C moet werken, heeft meer afgifteoppervlak nodig: vloerverwarming, wandverwarming of ruim gedimensioneerde radiatoren. U toont dat aan met een conforme dimensioneringsnota van het afgiftesysteem, waaruit blijkt dat het systeem bij de gerapporteerde temperaturen het berekende warmteverlies per ruimte kan invullen. Die nota berust op een warmteverliesberekening per ruimte volgens NBN EN 12831, en dat is een andere berekening dan de globale, indicatieve warmteverliesberekening die sinds 2026 op de startverklaring verschijnt. Zie de warmteverliesberekening op uw startverklaring.
De 130%: hoe het cijfer tot stand komt
Het installatierendement wordt berekend als het opwekkingsrendement gedeeld door de primaire-energiefactor van de energiedrager: 1 voor gas, 2,5 voor elektriciteit. Zijn er meerdere opwekkers, dan wordt een vermogensgewogen gemiddelde genomen. Meer dan 100% is dus geen tegenstrijdigheid: een toestel dat warmte uit de omgeving oppikt, geeft meer af dan het aan primaire energie verbruikt. Een fossiele ketel haalt op zichzelf de 130% niet.
Voor vergunningsaanvragen vanaf 1 januari 2026 verandert er één rekenregel: bij een warmtekrachtkoppeling wordt het rendement gelijkgesteld aan de som van het thermische en het elektrische rendement. De eis van 130% zelf blijft ongewijzigd.
Waar de 130% niet geldt. De eis is uitdrukkelijk niet van toepassing op warmtenetten, op luchtverwarmingssystemen zoals lucht-lucht warmtepompen, en op plaatselijke opwekkers zoals kachels. Dat is een wezenlijk verschil met “de 130% niet halen”: bij die systemen wordt er eenvoudigweg niet aan getoetst. Bij een warmtenet gelden wel installatie-eisen vanaf de systeemgrens, afgetoetst aan een minimale systeemfactor.
Wat de eis betekent voor uw keuze
Binnen de watergebonden systemen betekent 130% in de praktijk dat er warmtepomptechniek in het systeem zit. Welke techniek nog overblijft, verschilt echter grondig tussen nieuwbouw en IER.
Bij een ingrijpende energetische renovatie volstaat minstens een hybride warmtepomp, dus de combinatie van een ketel met een warmtepomp op hetzelfde centrale systeem. Een gasaansluiting blijft daar mogelijk.
Bij nieuwbouw valt die optie weg. Voor bouwvergunningsaanvragen vanaf 1 januari 2025 is een aardgasaansluiting bij nieuwbouw niet meer toegestaan. Wat overblijft, is een warmtepomp, een warmtenet, een biomassaketel in combinatie met een warmtepomp, of directe elektrische verwarming, en die laatste heeft een sterk nadelig effect op het E-peil behalve bij een zeer lage warmtevraag. De data die daarbij vastliggen, staan in de tijdlijn voor uw verwarmingskeuze.
Twee verschillende sancties
Wordt de 45 °C-eis niet gehaald, dan verstrengt de E-peileis met 15%. Wordt daarbovenop ook het minimumaandeel hernieuwbare energie niet gehaald, dan verstrengt de E-peileis in totaal met 30%. Haalt u dat strengere E-peil wel, dan volgt geen boete; haalt u het niet, dan volgt een boete voor het niet behalen van de E-peileis.
Wordt de 130% niet gehaald, dan werkt het anders: geen E-peilverstrenging maar een rechtstreekse boete van 1 euro per procent afwijking van de vereiste 130%, per m² bruto vloeroppervlakte uit de EPB-aangifte, met een maximum van 25 euro per m². Vanaf een installatierendement lager dan 105% blijft die boete dus constant. De overige bedragen staan in wat een EPB-boete kost.
Bij renovaties en nieuwbouw industrie geldt geen van beide mechanismen. Daar wordt het niet voldoen aan de installatie-eisen gesanctioneerd met een boete op basis van de netto vloeroppervlakte, begrensd door het volume van de uitbreiding of verbouwing.
Bij een gewone renovatie: eisen per installatie
Valt uw project onder renovatie, dan gelden minimale rendementen en vermogens op de installaties zelf: verwarming, sanitair warm water, koeling, ventilatie en verlichting. Verlichtingseisen gelden enkel voor niet-residentiële gebouwen en industrie, niet voor woningen.
Die eisen gelden uitsluitend op installaties die nieuw geplaatst, vernieuwd of vervangen worden. En “vernieuwen” gaat verder dan vervangen: ook het verplaatsen of uitbreiden van een bestaande installatie telt mee. Het bijplaatsen van één radiator volstaat al om de installatie-eisen voor verwarming in werking te zetten.
Wat er wél buiten valt: werken waarbij aan de installatie niets gebeurt, een installatie die tijdelijk gedemonteerd en op exact dezelfde plaats teruggeplaatst wordt, en het vervangen van enkel de sanitaire uitrustingen zoals lavabo’s, kranen en douches, zonder de leidingen of de warmteopwekker.
Twee regels binnen dat regime zijn het onthouden waard. Een niet-condenserende ketel blijft mogelijk wanneer vervanging door een condenserende technisch niet haalbaar is, mits extra inspanning op de andere parameters zoals leidingisolatie. En bij directe elektrische ruimteverwarming geldt een maximaal afgiftevermogen van 15 W per m² bruikbare oppervlakte van het te renoveren gebouw of het nieuwe gebouwdeel.
Zijn er meerdere warmteopwekkers op hetzelfde watercircuit, dan wordt voor deze installatie-eisen enkel de preferente opwekker beoordeeld, en bij een hybride warmtepomp mag u zelf bepalen welke dat is. Dat werkt precies omgekeerd bij de 130%-eis van nieuwbouw en IER: daar worden alle opwekkers juist vermogensgewogen samengeteld.
Een bestaande ketel of warmtepomp behouden
Er bestaat een automatische vrijstelling van het minimaal installatierendement voor ruimteverwarming wanneer drie voorwaarden samen vervuld zijn: het gaat om een renovatie of functiewijziging waarbij het bestaande toestel behouden blijft, dat toestel is op het moment van de vergunningsaanvraag niet ouder dan 15 jaar, en de vloeroppervlakte die door de nieuwe of vernieuwde afgifte-elementen verwarmd wordt bedraagt minder dan 25% van de totale bruikbare vloeroppervlakte. Die vrijstelling geldt voor ketels en voor warmtepompen, bij vergunningsaanvragen vanaf 1 januari 2023.
Ze geldt niet bij nieuwbouw en niet bij een IER. Voor een ketel tussen 15 en 20 jaar oud bestaat geen automatische vrijstelling, wel een individuele uitzondering die bij het VEKA aangevraagd moet worden.
Twee punten waarop de bron niet eenduidig is
Dezelfde eis wordt afwisselend beschreven als water als transportmedium en als water als afgiftemedium, soms binnen één pagina. Voor hybride en gemengde systemen kan dat verschil bepalend zijn. En of de installatie-eisen individueel vrijgesteld kunnen worden, staat er niet: voor het E-peil en het minimumaandeel hernieuwbare energie is uitdrukkelijk bepaald dat een vrijstelling niet kan, over de installatie-eisen zwijgt de bron. In een concreet dossier vragen wij dat na in plaats van het in te vullen.
Wat wij hiermee doen
De keuze van uw verwarming is de duurste beslissing in het hele eisenpakket, en ze ligt vast zodra de leidingen liggen. Weet u nog niet of uw project als renovatie of als IER ingerekend wordt, begin dan bij de ingrijpende energetische renovatie; hangt uw oplossing samen met zonne-energie, dan speelt ook het minimumaandeel hernieuwbare energie mee.
Wij rekenen bij de voorafberekening door welke combinatie van afgiftesysteem, opwekker en isolatie uw eisen haalt. Bekijk wat er in onze EPB-verslaggeving zit, of loop de offerte-configurator door.
Hier zelf mee te maken?
Bekijk wat wij doen, of vraag meteen een richtprijs voor uw eigen project.
Meer over producten en materialen
De maximale U-waarden per constructiedeel, en wanneer ze gelden
De maximale U-waarden per constructiedeel voor aanvragen vanaf 2018, met de eigen regels voor na-isolatie, spouwnavulling en de scheiding met de buren.
LezenSpouwmuur navullen: waar 0,55 W/m²K geldt en waar helemaal geen U-eis
De U-eis van 0,55 W/m²K op een nagevulde spouw geldt enkel bij een ingrijpende energetische renovatie van een woning. Bij gewone renovatie geldt er geen.
LezenUw E-peil verlagen: waar dat cijfer echt van beweegt
Het E-peil daalt door de schil, de installaties, hernieuwbare energie en aantoonbare waarden. Welke knoppen tellen bij een nieuwbouwwoning en bij een IER.
Lezen