De reductiefactor ventilatie: wat de m-factor met uw E-peil doet
· bijgewerkt op 27 augustus 2026
In de E-peilberekening worden uw ventilatieverliezen vermenigvuldigd met de m-factor. Levert u niets aan, dan staat die factor op 1,5: uw verliezen worden anderhalf keer zo zwaar ingerekend als in een perfect uitgevoerd systeem. Dat is geen boete en geen eis, het is gewoon de aanname die de software maakt zolang u het tegendeel niet bewijst.
Dit artikel gaat over woningbouw. De m-factor is de manier waarop u voor woongebouwen de uitvoeringskwaliteit van uw ventilatiesysteem rapporteert, en hij geldt voor alle bouwaanvragen: nieuwbouw, ingrijpende energetische renovatie en gewone renovatie. Voor niet-residentiële gebouwen bestaat deze factor niet. De tweede factor die we hieronder behandelen, de reductiefactor voor vraagsturing, bestaat wel in beide werelden.
Wat de m-factor is
De m staat voor multiplication. Bij ventilatie draait alles om de vraag of er verse buitenlucht in de juiste hoeveelheden op de juiste plaats in de woning terechtkomt. Een goed uitgevoerd systeem doet dat en heeft dus een gunstige invloed op het E-peil. Maar de EPB-software kan uw werf niet zien. Ze gaat er daarom van uit dat er geen bijzondere aandacht is besteed aan een perfecte uitvoering, tenzij u stukken voorlegt.
Die aanname kost. Hoeveel u ermee kunt winnen, hangt af van uw systeemkeuze. De officiële tabel toont tussen welke waarden de factor kan variëren, van de waarde bij ontstentenis tot theoretisch perfect:
| Systeem | Zelfregelende RTO | Goede kanaalluchtdichtheid | Goede afstelling | m-factor van > naar |
|---|---|---|---|---|
| A (natuurlijke toevoer en afvoer) | telt mee | telt mee | niet van toepassing | 1,5 > 1,26 |
| B (mechanische toevoer, natuurlijke afvoer) | niet van toepassing | telt mee | telt mee | 1,5 > 1,17 |
| C (natuurlijke toevoer, mechanische afvoer) | telt mee | telt mee | telt mee | 1,5 > 1,017 |
| D (mechanische toevoer en afvoer) | niet van toepassing | telt mee | telt mee | 1,5 > 1,00 |
Hier zit meteen het systeemargument in verpakt. Een systeem D kan tot 1,00 zakken en dus de theoretisch volledige winst pakken. Een systeem C komt met 1,017 daar vlak tegenaan. Een systeem A blijft op 1,26 steken: ook perfect uitgevoerd houdt het een opslag van 26% op de ventilatieverliezen. Dat is geen oordeel over systeem A als ventilatie, wel over wat het in de E-peilberekening kan opleveren. Welk systeem in welke situatie past, staat in ventilatiesysteem A, B, C of D.
Let op wat de tabel niet zegt: dit zijn uitersten. De werkelijke daling hangt af van welke onderdelen u staaft en van de parameters van uw project. Wie twee van de drie punten bewijst, landt ergens tussenin.
Wat u moet aanleveren voor een gunstiger factor
U kunt de kwaliteit van uw systeem op drie manieren aantonen, en u mag ze afzonderlijk staven.
Zelfregelendheid van de regelbare toevoeropeningen. Bij systeem A en C moeten de RTO’s voldoende zelfregelend zijn: klasse P3 of P4, volgens opgave van de fabrikant. Zelfregelendheid zorgt ervoor dat het werkelijke debiet niet te ver van het gewenste debiet afwijkt. Waait het hard, of is het temperatuurverschil tussen binnen en buiten groot, dan sluit een klep in het rooster zich automatisch wat verder. Het stavingsstuk is de technische fiche van het rooster.
Afstelling van de ventielen. Bij mechanische ventilatie moet de installateur de inblaas- of extractieventielen correct afstellen, en dat blijkt uit een meetrapport van de toe- en afvoerdebieten. Toevoerdebieten tellen bij systeem B en D, afvoerdebieten bij C en D.
Luchtdichtheid van de luchtkanalen. Lekt het kanaalnet, dan komt de lucht niet terecht waar ze hoort en moet de ventilator meer lucht verplaatsen dan nodig. Een meetrapport van de kanaalluchtdichtheid, op vergelijkbare wijze gemeten als de luchtdichtheid van het gebouw, staaft dat. Toevoerkanalen tellen bij A, B en D, afvoerkanalen bij A, B, C en D. Gebeurt de toevoer of afvoer decentraal, dan mogen de zeer minimale luchtkanalen als perfect luchtdicht beschouwd worden, en hebt u daar geen meting voor nodig.
In de EPB-software 3G kiest u op het tabblad Uitvoeringskwaliteit bij de knoop Ventilatie tussen de waarde bij ontstentenis (dan hoeft u niets in te vullen), de gedetailleerde berekening met alle gekende gegevens, of directe invoer van een waarde die u met het externe rekenblad bepaalde. Gebruikt u dat rekenblad, dan houdt u het ook bij als stavingsstuk. Hoe het mechanisme van standaardwaarden werkt, leest u bij de waarde bij ontstentenis.
Eén val: geen ventilatieprestatieverslag, geen verlaagde m-factor
Voor projecten met een aanvraagdatum vanaf 1 januari 2016 hangt dit alles aan het kwaliteitskader ventilatie. Ontbreekt het ventilatieprestatieverslag, dan gebeurt er drie keer iets vervelends: alle ruimten van de EPB-eenheid gelden als niet-geventileerd en krijgen een boete voor het aspect hygiënische ventilatie, de m-factor wordt ingerekend met de waarde bij ontstentenis, en aanwezige voorverwarming wordt met de geëiste debieten ingerekend. De keurigste meetrapporten helpen dan niet meer. Waarom die verslaggever verplicht is, staat in ventilatieverslaggever verplicht.
De tweede knop: vraagsturing
Naast de m-factor bestaat er een aparte reductiefactor voor vraaggestuurde ventilatie (freduc,vent). Vraagsturing is een automatisch regelsysteem dat de nood aan ventilatie detecteert, met CO2-, vocht- of aanwezigheidsdetectie, en het debiet daaraan aanpast. Dat is een andere factor dan de m-factor, met een eigen waarde bij ontstentenis: 1.
Er zijn er zelfs drie, elk voor een eigen berekening: één voor verwarming, één voor koeling en één voor de oververhittingsberekening. De waarden staan in tabellen met forfaitaire waarden en hangen af van vier zaken: het type detectie in droge ruimtes (CO2, aanwezigheid, andere of geen), de regeling van de toevoer daar (lokaal of centraal), het type detectie in natte ruimtes, en het type regeling van de afvoer daar. Zitten er meerdere detectiesystemen in één ventilatiezone, dan geldt de hoogste waarde voor de hele zone.
Waarom vraagsturing loont, en wanneer niet:
- Voor verwarming (winter) betekenen hogere ventilatieverliezen een hogere netto energiebehoefte. Een reductiefactor verlaagt die verliezen en dus ook het E-peil. Hier is laag beter.
- Voor koeling en oververhitting (zomer) ligt het omgekeerd: lagere ventilatieverliezen betekenen een hogere netto energiebehoefte voor koeling, en dus een slechter E-peil. Hier is hoog beter.
- Met een bypass krijgt u het beste van beide: een lage reductiefactor voor verwarming en een factor 1 voor koeling.
Dat de winterwinst niet automatisch een jaarwinst is, is precies waarom deze factor een rekenvraag is en geen vuistregel. Wat het effect op oververhitting doet, hangt samen met de drempels van 6500 en 1000 Kh.
Het bepalen van deze reductiefactoren vergt uitgebreide kennis, en het is goed mogelijk dat er bijkomende informatie bij de fabrikant opgevraagd moet worden. Fabrikanten kunnen hun product ook laten opnemen in de productgegevensdatabank. Van de reductiefactoren die daar gepubliceerd staan, kunt u zeker zijn dat ze volgens de correcte methode bepaald zijn, en het VEKA zal ze nooit in vraag stellen. Dat is bij een controle het verschil tussen een discussie en geen discussie.
Ook vakgenoot mijnepb.be behandelt dit onderwerp, in reductiefactor ventilatie.
Wat wij doen
De winst zit niet in de keuze van een duur systeem, maar in het tijdig regelen van drie stukken papier: de technische fiche van uw roosters, het meetrapport van de debieten en het meetrapport van de kanaalluchtdichtheid. Wij spreken die af met de installateur vóór de plafonds dicht gaan, want een debietmeting achteraf inplannen op een bewoonde woning is duurder dan ze meteen mee te nemen.
Wat wij binnen een volledig ventilatiedossier opnemen, leest u bij ventilatieverslaggeving. Wilt u vooraf weten wat een verlaagde m-factor op uw eigen project oplevert, dan rekenen wij dat door. Voor een prijs op maat loopt u de offerte-configurator door.
Hier zelf mee te maken?
Bekijk wat wij doen, of vraag meteen een richtprijs voor uw eigen project.
Meer over ventilatie
CO2 en binnenluchtkwaliteit: wat EPB daarover wel en niet regelt
EPB stuurt op ventilatiedebieten, niet op CO2-concentraties. Waar CO2 wél in de regelgeving voorkomt, en waar EPB-Pedia geen grenswaarde geeft.
LezenDe ventilatiedebieten per ruimte: 3,6 m³/h per m², met minima en grenzen
Bij nieuwbouw en IER van een woning geldt 3,6 m³/h per m². De minima en grenzen per ruimte, de doorstroomopeningen, en wat er bij renovatie geldt.
LezenDiffuse ventilatie: waarom kieren en spleten geen ventilatiesysteem zijn
Een woning die vanzelf ventileert via kieren voldoet niet aan de EPB-ventilatie-eisen. Wat de regelgeving wel vraagt en welke oplossingen wel tellen.
Lezen