Naar de inhoud
Producten en materialen

PUR, PIR, XPS, EPS en minerale wol in de EPB-berekening

· bijgewerkt op 27 augustus 2026

“Welk isolatiemateriaal is het beste voor EPB?” is de vraag die het vaakst gesteld wordt en die de regelgeving niet beantwoordt. EPB schrijft geen materialen voor. Ze toetst het resultaat: de U-waarde van het constructiedeel dat u bouwt. Welke isolatie daar in zit, is uw keuze, zolang de uitkomst klopt en u ze kunt bewijzen.

Dit artikel gaat over woningbouw. De tabel met maximale U-waarden is een van de weinige onderdelen die voor woningbouw, niet-residentieel en industrie identiek is; het eisenpakket errond, met E-peil en S-peil, verschilt wel degelijk per bestemming.

Wat de regelgeving eigenlijk beoordeelt

Een materiaal telt binnen EPB als isolatiemateriaal wanneer de lambdawaarde kleiner dan of gelijk is aan 0,20 W/mK. De lambdawaarde, of warmtegeleidbaarheid, geeft weer hoeveel warmte er per seconde door één vierkante meter materiaal gaat, per graad temperatuurverschil en per meter dikte. Hoe lager de waarde, hoe beter isolerend het materiaal.

De eis staat echter niet op het materiaal maar op het constructiedeel. Voor nieuwe of vernieuwde daken, muren en vloeren bedraagt de maximale U-waarde 0,24 W/m²K, bij nieuwbouw, renovatie en IER, voor alle bestemmingen. Voor deuren en poorten is dat 2,0 W/m²K. Het volledige overzicht met alle rijen en hun toepassingsgebied staat in de tabel met maximale U-waarden.

De isolatiewaarde van een homogene laag wordt bepaald door twee dingen: de dikte van de laag en de warmtegeleidbaarheid van het materiaal. Dat is meteen de hele vergelijking tussen PUR, PIR, XPS, EPS en minerale wol. Een materiaal met een lagere lambdawaarde haalt dezelfde warmteweerstand met minder dikte; een materiaal met een hogere lambdawaarde vraagt meer centimeters voor hetzelfde resultaat. Voor een gewenste warmteweerstand geldt eenvoudigweg: benodigde dikte is warmteweerstand maal lambdawaarde.

Waarom u hier geen tabel met lambdawaarden per materiaalsoort vindt

Omdat EPB-Pedia die niet op die manier publiceert, en omdat ze u zou misleiden.

De waarde waarmee gerekend wordt, is de gedeclareerde lambdawaarde λD van het specifieke product dat u koopt, niet van de materiaalfamilie. Fabrikanten verbeteren de isolerende eigenschappen van het basismateriaal door additieven, door andere isolatiematerialen toe te voegen of door het productieproces. Een specifiek product kan daardoor een betere lambdawaarde halen dan het basismateriaal. Om producten op dezelfde basis te kunnen vergelijken, is de bepaling van die waarde in normen vastgelegd: gemeten bij referentieomstandigheden van temperatuur en vochtigheid, voor een bepaalde fractie en betrouwbaarheidsgraad, en in overeenstemming met een redelijk verwachte levensduur.

Twee bronnen zijn dus geldig: de EPB-productgegevensdatabank, waarin u het gebruikte product opzoekt, en de tabellen met waarden bij ontstentenis, geïntegreerd in de EPB-software, voor het geval de gedeclareerde lambdawaarde niet gekend of onzeker is. Twee zaken zijn daarbij uitgesloten: de waarden bij ontstentenis mag u niet gebruiken voor de isolatie van technische installaties, en tabel 14b geldt niet voor in situ gevormde producten waarbij afzonderlijke materialen tot een nieuw eindproduct gecombineerd worden. Voor strobalen geldt altijd tabel 14b, ook machinaal vervaardigd.

Vraag uw leverancier dus niet naar de lambdawaarde van “PIR”, maar naar de gedeclareerde lambdawaarde van het artikel op uw leveringsbon.

De correcties die het echte verschil maken

Hier zit het onderscheid dat bouwheren zelden zien aankomen, en het loopt niet langs de scheidslijn plaat tegenover wol, maar langs fabrieksproduct tegenover ter plaatse gevormd.

SituatieWat de software doet
Plaatmateriaal, in de fabriek gevormd en op de werf op maat gesnedende gedeclareerde lambdawaarde wordt gebruikt zoals ze is
In situ gevormd materiaal (ingeblazen bulk, gegoten, tweecomponentschuim ter plaatse)een correctiefactor f in situ, omdat de variabiliteit eigen aan het vormen ter plaatse verrekend moet worden
Gespoten PURdaarbovenop een aparte correctie op de U-waarde wegens de variabele dikte
Navulling van een bestaande spouwaltijd een correctiefactor f CH op de lambdawaarde, identiek aan f in situ

Het onderscheid tussen die twee correcties is belangrijk: de correctie voor gespoten PUR heeft te maken met de variabele dikte, de factor f in situ met garanties over uitvoeringsomstandigheden. Ze staan los van elkaar.

Wie draagt de bewijslast? De fabrikant of uitvoerder moet expliciet aantonen dat de variabiliteit eigen aan de vorming ter plaatse al in de gedeclareerde lambdawaarde zit. Hoe hij dat mag aantonen, ligt niet vast, en EPB-Pedia stelt dat het voor de meeste in situ-producten niet in de gangbare technische fiches zit. Het advies van de bron is dan ook letterlijk om veilig te spelen en voor in situ geplaatste materialen bij nieuwe projecten altijd de correctiefactor toe te passen.

Eén valkuil in de omgekeerde richting. Bij spouwnavulling wordt f CH altijd toegepast zodra u in de software kiest voor “tussen de draagconstructie of navulling spouw”. Selecteert u dan een materiaal waarin de correctie al verwerkt zit, bijvoorbeeld uit de productdatabank, dan wordt ze een tweede keer aangerekend en wordt uw lambdawaarde te hoog ingeschat. Dat vermijdt u door het materiaal via de bibliotheek gebruikersmaterialen in te voeren en aan te vinken dat de factor al ingerekend is. Meer over die situatie staat in een spouwmuur navullen.

Bevestigingen tellen ook mee

Een isolatielaag die doorboord wordt door spouwankers of schroeven, verliest prestatie, en die invloed moet in de U-waarde verrekend worden. Mechanische bevestigingen voert u altijd in de EPB-software in.

Omdat elk materiaal met een lambdawaarde tot 0,20 W/mK in principe een isolatiemateriaal is, geldt dat ruimer dan bouwheren verwachten: ook de schroeven en nagels die houten constructie-elementen doorboren horen erbij. Sinds versie 11.0.0 vraagt de software bij de keuze van bijvoorbeeld OSB of multiplex uitdrukkelijk om de doorboringen in te geven. Grijpt de bevestiging aan in een draagstructuur met een lambdawaarde boven 0,20 W/mK, dan moet u ze altijd inrekenen.

Dat is meteen een reëel argument in de materiaalkeuze dat niets met de lambdawaarde te maken heeft: een systeem met minder of dunnere doorboringen houdt meer van zijn theoretische prestatie over.

Zonder bewijs geen isolatie

De hardste regel komt op het einde. Voor de meeste onbekende gegevens bestaat er een waarde bij ontstentenis, ook voor lambdawaarden. Maar voor de dikte en het type isolatiemateriaal bestaat geen waarde bij ontstentenis: kan een controleur niet vaststellen wat er zit, dan wordt uitgegaan van geen isolatie.

Dat is geen theoretisch risico. Kan het VEKA bij controle op basis van het opgeladen technisch dossier niet traceren dat een gerapporteerd product effectief geplaatst is, dan rekent het met de lambdawaarde bij ontstentenis om de vastgestelde U-waarde te bepalen. Daaruit kan een boete voor niet-correcte rapportering voor de verslaggever volgen, en een rechtzetting in een hernieuwingsaangifte kan betekenen dat de U-eis alsnog niet gehaald wordt, met een boete voor de bouwheer.

Fotografeer daarom uw isolatie voor ze dichtgemaakt wordt, bewaar de leveringsbonnen en de technische fiches, en noteer de EPD-code of het productdatabanknummer. Wat als bewijs telt, staat in stavingsstukken die wél tellen; wat een ontbrekend stuk kost, in de waarde bij ontstentenis.

Wat wij hier niet doen

Wij vergelijken isolatiematerialen op hun thermische prestatie zoals de EPB-rekenmethode ze beoordeelt. Over merken doen we geen uitspraken, en over gezondheids-, brand- of milieuaspecten evenmin: EPB-Pedia behandelt die niet, en een EPB-verslaggever is daarvoor niet de juiste bron. Bespreek die kant met uw architect en met de technische documentatie van de fabrikant.

Ook vakgenoot mijnepb.be behandelt dit onderwerp, op mijnepb.be/verschil-tussen-pur-en-pir. De officiële uitleg over lambdawaarden staat bij EPB-Pedia van de Vlaamse overheid.

Laat de dikte narekenen voor u bestelt

De vraag die er voor uw portefeuille toe doet, is niet welk materiaal het beste is, maar hoeveel centimeter van het door u gekozen product nodig is om 0,24 W/m²K te halen, correcties inbegrepen. Dat verschilt per opbouw, per plaatsingswijze en per product, en het scheelt in de praktijk vaak enkele centimeters dakhoogte of vloerpas.

Wij rekenen die opbouw door in de EPB-software vóór de bestelling vertrekt, met de werkelijke gedeclareerde waarden en de juiste correcties. Wat die begeleiding inhoudt, leest u bij EPB-verslaggeving. Bezorg ons uw detailtekeningen via de offertepagina, dan krijgt u de diktes terug voor de aannemer levert.

Hier zelf mee te maken?

Bekijk wat wij doen, of vraag meteen een richtprijs voor uw eigen project.

Een vraag over uw eigen werf?

Wij denken liever vooraf mee dan achteraf te herstellen. Bellen kost u niets.