Naar de inhoud
Regelgeving

De 2%-regel: hoeveel van uw gebouwschil mag afwijken van de U-waarden?

· bijgewerkt op 27 augustus 2026

Op vrijwel elk project zit één detail dat de maximale U-waarde niet haalt. De regelgeving voorziet daarvoor een marge: per EPB-eenheid mag ten hoogste 2% van de oppervlakte van de scheidingsconstructies uit vak 1 van bijlage VII afwijken van de U-eisen. Die bepaling staat identiek in de eisentabellen sinds bouwaanvragen van 1 januari 2014 en geldt bij nieuwbouw, renovatie en IER, en voor alle bestemmingen.

Dit artikel is geschreven vanuit woningbouw. De U-waardentabel zelf maakt geen onderscheid tussen residentieel, niet-residentieel en industrie; het verschil tussen die bestemmingen zit in de peil-eisen, niet in de U-waarden. Eén uitzondering verderop in dit artikel is wél residentieel begrensd.

Wat er in vak 1 zit, en wat er buiten valt

De regel is uitdrukkelijk beperkt tot de rijen 1.1 tot en met 1.6 van vak 1: de scheidingsconstructies die het beschermd volume omhullen, met uitzondering van de constructies die de scheiding vormen met een aanpalend beschermd volume. Concreet tellen daken, buitenmuren, vloeren, vensters, deuren, poorten, gordijngevels en glasbouwstenen mee.

Twee groepen vallen erbuiten, en dat zijn precies de twee die het vaakst toch worden meegerekend.

Gemene muren tellen niet mee. De scheidingsconstructie tussen twee beschermde volumes op aangrenzende percelen staat in een apart vak 2, met een eigen maximum van 0,6 W/m²K. Vak 2 valt buiten de opsomming 1.1 tot en met 1.6 en dus buiten de 2%-regel. Bij een rijwoning of halfopen bebouwing valt het absolute cijfer daardoor merkbaar lager uit dan wanneer u de volledige omhulling zou meetellen. Dat een gemene muur voor de S-peilberekening wél ingevoerd moet worden, verandert daar niets aan.

Nageïsoleerde constructiedelen tellen niet mee. EPB-Pedia zegt het letterlijk: die staan in vak 4. Een bestaande gevel die u na-isoleert en die de waarde niet haalt, kunt u dus niet onder de 2% onderbrengen. Een spouwnavulling die de 0,55 W/m²K niet haalt evenmin. Dat is de reden waarom deze marge bij renovatiedossiers veel minder oplevert dan bouwheren aannemen.

De marge geldt per EPB-eenheid

De 2% wordt bepaald op het niveau van de EPB-eenheid, niet op gebouwniveau. Bij een appartementsgebouw wordt de marge dus per appartement berekend en kunt u ze niet van de ene eenheid naar de andere schuiven. Binnen één eenheid is ze wel één pot: wie ze vroeg in het ontwerp aan een architecturaal detail toewijst, heeft ze later niet meer voor een uitvoeringsprobleem.

Hoe compacter het gebouw, hoe kleiner de marge in absolute cijfers. Bij een verliesoppervlak van 400 m² gaat het om 8 m², bij 900 m² om 18 m². Dezelfde uitzondering weegt op een kleine woning dus zwaarder door dan op een groot project.

Eén punt waar de bron zelf niet eenduidig is

Hier past een waarschuwing die u zelden ergens anders leest. EPB-Pedia formuleert deze regel op drie plaatsen verschillend.

Waar het staatHoe het er staat
Bijlage VII bij het Energiebesluit“alle scheidingsconstructies die het beschermde volume omhullen, zoals vermeld onder 1.1 t.e.m. 1.6” en “mag afwijken van deze eisen”
De pagina over het niet voldoen aan de U- of R-waarden“de scheidingsconstructies van het verliesoppervlak waaraan eisen gesteld worden”, en spreekt van “vrijgesteld van boetes
De pagina over soorten scheidingsconstructies“de nieuwgebouwde en vernieuwde constructies van de verliesoppervlakte”, en “hoeft niet te voldoen aan de maximale U-waarden”

Het praktische verschil is niet klein: rekent u bij een renovatie de 2% over de volledige schil van vak 1, of enkel over de delen die u aanpakt? Uit EPB-Pedia is dat niet eenduidig af te leiden. Wij leggen dat bij twijfelgevallen voor aan het VEKA in plaats van er zelf een kant in te kiezen, want op een renovatiedossier scheelt het de helft van de marge of meer.

Wat in alle drie de formuleringen overeind blijft, is wél hard: de marge geldt per EPB-eenheid, gemene muren tellen niet mee, en nageïsoleerde delen tellen niet mee.

De tweede uitweg: de gemene muur op een smal perceel

Naast de 2%-regel bestaat een aparte vrijstelling die bij rijwoningen vaak relevanter is. Is het perceel smaller dan 6 meter, dan bestaat er een vrijstelling om te voldoen aan de maximale U-waarde voor de gemeenschappelijke scheidingsconstructie. Twee voorwaarden zijn bepalend: het perceel moet effectief smaller zijn dan 6 meter, en er moet al een bestaande gemene muur zijn, al dan niet met een nieuwe muur ervoor. Voor een volledig nieuwe gemene muur geldt de vrijstelling niet. Ze is in de EPB-software invoerbaar sinds versie 9.5.1.

EPB-Pedia hangt die vrijstelling uitdrukkelijk op aan de S-peilberekening, en het S-peil bestaat enkel voor wooneenheden. Of ze formeel ook buiten residentieel geldt, staat er niet. Voor een niet-residentieel dossier is dat dus een vraag voor het VEKA, geen aanname.

Wat de marge niet doet

De 2%-marge werkt op de U-eis. Ze werkt niet door in de rest van de berekening.

Een deel dat u eronder onderbrengt, blijft gewoon meetellen in het E-peil en, bij nieuwbouw van een woning, in het S-peil. Een slecht presterend vlak van enkele vierkante meters kan formeel aanvaard zijn en toch punten kosten. Wat die peilen elk meten, staat in E-peil, S-peil en K-peil.

Ze zegt evenmin iets over luchtdichtheid. Een afwijkend detail is vaak ook het detail waar lucht passeert, en de luchtdichtheid weegt rechtstreeks door in E-peil en S-peil. Wie daar zekerheid wil in plaats van een aanname, laat een blowerdoortest uitvoeren en rekent met de gemeten waarde. En ze ontslaat u niet van de overige eisen op datzelfde deel: ventilatie- en installatie-eisen blijven onverkort gelden.

Tot slot een naamsverwarring. De regelgeving kent ook een 2%-regel voor residentiële ventilatie: per EPB-eenheid mag 2% afgeweken worden van de hygiënische ventilatie-eisen, berekend als de som van het totale geëiste toevoerdebiet en het totale geëiste afvoerdebiet naar buiten, vermenigvuldigd met 0,02. Doorstroomdebieten tellen daar niet in mee. Voor een gemiddelde woning van 450 tot 600 m³/h komt dat neer op 9 tot 12 m³/h. Die regel geldt voor bouwaanvragen vanaf 1 januari 2021 en uitsluitend voor residentiële ruimten: niet-residentiële ruimten in een woning, zoals een kantoor of een praktijk, vallen erbuiten. Het is een volledig andere bepaling dan die van dit artikel.

Aantonen, niet aannemen

Een afwijking inroepen zonder ze te onderbouwen is een risico bij controle. Het VEKA toetst of de aangifte overeenstemt met de werkelijkheid, en een vaststelling ter plaatse door een controleur weegt altijd zwaarder dan elk stavingsstuk. Zorg dus dat het dossier laat zien welke oppervlakten in de noemer zitten en hoe ze opgemeten zijn, dat de gemene muren eruit gehouden zijn, welke delen precies onder de 2% vallen met hun oppervlakte, en dat het totaal per EPB-eenheid binnen de marge blijft. Een uitvoeringsplan met de betrokken delen aangeduid, samen met de opmetingsstaat, is daarvoor doorgaans het sterkste stuk. Een verklaring van de architect of de aannemer telt niet als bewijs.

Waar wij dit oppakken

Voor architecten, aannemers en projectontwikkelaars is dit het type detail dat pas zichtbaar wordt wanneer het dossier al loopt. Wij rekenen de schiloppervlakte en de marge per EPB-eenheid door bij de voorafberekening, zodat u ze in het ontwerp kunt inzetten in plaats van er achteraf mee te moeten schuiven. Bekijk hoe wij met professionele opdrachtgevers werken, of besteed de rekenkant uit via onderaanneming.

Weten wat dat voor een concreet project betekent? Neem gerust contact op; wij kijken liever vooraf mee dan achteraf te herstellen.

Hier zelf mee te maken?

Bekijk wat wij doen, of vraag meteen een richtprijs voor uw eigen project.

Een vraag over uw eigen werf?

Wij denken liever vooraf mee dan achteraf te herstellen. Bellen kost u niets.